In: DUST, nuchter tijdschrift voor Groningen en omstreken
David kijkt waar hij terechtkomt wanneer hij gaat liften met een bordje waar ‘NAAR HET PLATTELAND’ opstaat.

Er was meer tijd gaan zitten in het maken van mijn bordje, dan dat ik hem vast heb gehouden: werkelijk de állereerste auto stopte. Het waren Henk en Sietske en hun dochter Anne.
“We vonden het zo origineel,” zeiden ze, “dat we dachten: die jongen nemen we mee.”
Ze reden in een busje voor groepsvervoer en ik ging achterin zitten, naast een doos met heel veel uien erin. Ze hadden even wat boodschappen in de stad gedaan.
“Behoorlijk wat uien,” zei ik.
Ze vertelden dat ze de beheerders waren van groepshotel De Ster in Wehe den Hoorn en dat ze hun boodschappen normaal lieten bezorgen. Maar deze keer waren ze vergeten uien en afbakbroodjes te bestellen.
“Dus we gaan naar Wehe den Hoorn?” vroeg ik. Gelukkig had ik daar wel eens van gehoord, zodat ik net kon doen alsof het een hele normale naam voor een dorp was. Ik was er laatst langsgereden toen ik de boot naar Schiermonnikoog moest halen. Wat een merkwaardige naam, dacht ik toen. Maar dat zei ik maar niet tegen Henk en Sietske.
De Ster was een groepshotel voor mensen uit de zorg: lichamelijk en verstandelijk gehandicapten.
“De meeste bezoekers komen van De Zonnebloem,” zei Sietske.
Ik kende geen Zonnebloem, behalve dan die ene professor, maar het was een zorginstelling die door het hele land afdelingen had. Ze vond het vreemd dat ik er nog nooit van gehoord had. “Danny de Munk maakt er wel eens reclame voor,” zei ze, maar dat hielp mij niks.
Helaas heeft de eigenaar het hotel verkocht, omdat het in deze hoedanigheid niet rendabel is. Het seizoen is te kort om winstgevend te zijn. Het hotel zal per 1 november gebruikt worden voor werknemers uit de Eemshaven. Een heel ander soort publiek voor Henk en Sietske.
Ik vroeg of ze dat niet jammer vonden.
“Ja natuurlijk,” zeiden ze. “Niet alleen voor onszelf, ook voor de omgeving. De meeste mensen onderschatten Groningen als toeristisch gebied. Ze denken ‘weilanden en koeien’, maar er zijn veel leuke dingen te doen, zoals de zeehondencreche in Pieterburen of de kaarsenmakerij in Eenrum. Maar als alle hotels volzitten met arbeiders, dan wordt het natuurlijk niks.”
We waren intussen aangekomen in Wehe den Hoorn en ik kreeg een rondleiding door groepshotel De Ster. Het is zonde dat groepen gehandicapten hier in de toekomst niet meer terecht kunnen – het is een prachtige accomodatie.
Ik nam afscheid van het echtpaar en liep nog wat door het dorp, maar er was niet veel te beleven. Er was wel een snackbar, waar ik een ijsje wilde gaan halen. Dat leek me wel wat: een hoorntje uit Wehe den Hoorn, maar ze gingen pas om half vijf open en zolang wilde ik eigenlijk niet wachten. Ik ging op zoek naar een geschikte liftplaats om terug naar Groningen te liften.
Wegkomen uit Wehe den Hoorn was een heel ander verhaal dan er komen – dat lukte namelijk niet. Ik had op de achterkant van het bordje ‘NAAR DE STAD’ geschreven, maar dat vond men blijkbaar minder origineel dan ‘NAAR HET PLATTELAND’, want na drie kwartier stond ik nog steeds in Wehe den Hoorn. Er zat niks anders op dan de bus te pakken.
“Naar de stad,” zei ik tegen de chauffeur – ik bleef in mijn rol.
De chauffer vroeg niet welke stad, maar stempelde zonder iets te zeggen mijn strippenkaart. Ik ging helemaal achterin zitten, naast een stoel waar een banaan op lag. Wat is dat toch met die etenswaren op de achterbank?
De bus reed onder andere over Eenrum, Mensingeweer, Maarhuizen en Ranum – allemaal dorpjes waar ik nog nooit was geweest. Twee uren nadat Henk en Sietske mij hadden opgepikt was ik weer thuis. Thuis in de stad.
0 reacties:
Een reactie plaatsen